Familiegeschiedenis
Voordat ik naar Indonesië vertrek, en specifiek naar Bandung waar mijn vader vandaan
komt, wil ik eerst meer weten over mijn familiegeschiedenis. Samen
met mijn ouders en zusje ging ik dit weekend dan ook op bezoek bij mijn tante, die de
fotoboeken van mijn oma bewaart. Ook mijn neef, haar
zoon, kwam op bezoek. Niet eerder was ik zo dicht bij mijn Indische en Thaise roots geweest. Daar lag het, in boeken verzameld. En
daarmee kwamen ook de verhalen, waar ik zo naar verlangde. Mijn familiegeschiedenis, vermengd met een stuk vaderlandse geschiedenis, ontrafelde zich voor mijn ogen. En ik neem jullie graag mee.
Al sinds het einde van de 16e eeuw was Nederland aanwezig in Indonesië. Van 1602 tot 1798 opereerde daar de Verenigde Oostindische Compagnie en in 1610 werd de hoofdstad Jakarta omgedoopt tot Batavia. Indonesië bestaat uit vele eilanden en eilandengroepen, die onderling van elkaar verschillen in etniciteit, taal en religie. In heel Indonesië worden ongeveer 300 afzonderlijke etnische groeperingen onderscheiden en 742 verschillende talen en dialecten gesproken. Nederland focuste zich dan ook vooral op Java en de Molukken. Hun missie was het verkrijgen van het specerijenmonopolie en de compagnie had het recht om, tot het behoud van het handelsmonopolie, oorlog te voeren en namens de Republiek verdragen te sluiten met inheemse vorsten. Een tijd van oorlogen, onderdrukking en uitbuiting van de bevolking volgde. Na het faillissement van de VOC in 1798, werd Indonesië onder de naam Nederlands Oost-Indië een Nederlandse kolonie.
In 1905 werd mijn opa Eduard Weijsters geboren in Salatiga op Java. Zijn voorouder was van Nederlandse afkomst, dus waarschijnlijk groeide mijn opa binnen Nederlands-Indië op als Nederlander. Als soldaat diende hij in het Nederlandse koloniale leger, het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL). Tijdens WOII werd Nederlands-Indië bezet door Japan en kwam er een einde aan
het Nederlandse bewind. Vele Nederlanders werden opgesloten in Jappenkampen. De Indiërs werden gedwongen als
dwangarbeiders (Romusha's) om mee te helpen met
de Japanners en mijn opa werd naar Thailand gestuurd om aan de Birma spoorweg, ook
wel de Dodenspoorlijn genoemd met zijn 106.000 doden, te werken. De
Japanners stichtten een terreurbewind onder de Indonesische bevolking met vele
duizenden executies. In 1943 ontstond een grote
hongersnood, die tot in 1944 en op sommige plaatsen tot de bevrijding duurde en
volgens vele bronnen tot 4 miljoen doden leidde. Daar, in Thailand, ontmoette
mijn opa mijn oma, die in Nakhon Pathom woonde en samen met haar moeder eten verkocht bij de spoorlijn.
Vele nationalistische sympathisanten kozen in eerste instantie voor
samenwerking met de Japanners. Gedurende de bezetting ontwikkelde de Indonesische
nationalistische beweging zich sterk. De Japanners stonden echter negatief tegenover
een onafhankelijk Indonesië. Twee dagen na de overgave van Japan op 17 augustus
1945, verklaarden de invloedrijke nationalistische leiders Soekarno en Hatta
Nederlands-Indië onafhankelijk en Soekarno werd de eerste zelfbenoemde
president van de Republik Indonesia. Nederland verzette zich tegen de
Indonesische onafhankelijkheid en stuurde militairen om de rust te herstellen,
de 'politionele acties'. Zij slaagde er niet in de Indonesiërs te verslaan en
mede vanwege internationale druk van vooral de Verenigde Staten, accepteerde
Nederland op 27 december 1949 de Indonesische onafhankelijkheid. Alleen de
westelijke helft van Nieuw-Guinea bleef nog tot 1962 Nederlands.
In de periode 1946-1968 zijn ruim 300.000 Indische Nederlanders naar Nederland gekomen. De groep die meestal aangeduid wordt als Indische repatrianten, kwam tussen 1950 en 1952 naar Nederland (ca. 80.000 Indische Nederlanders). Sommigen gingen met pensioen, van anderen kwam de betrekking in Indonesië te vervallen vanwege de onafhankelijkheid en weer anderen wilden niet opteren voor het warga negara Indonesia, het Indonesisch staatsburgerschap. In de jaren 1952-1955 zette de Nederlandse regering een rem op de komst van met name Indo-Europeanen. Alleen bij hoge uitzondering mochten deze gezinnen nog naar Nederland komen. De leefomstandigheden van deze groep gemengdbloedigen in Indonesië werd echter zo problematisch, dat de Nederlandse regering in 1955 besloot de repatriëringscriteria aan te passen. Hierdoor kwamen vanaf 1955 late repatrianten en spijtoptanten naar Nederland. Op 5 december 1957, ook bekend als Zwarte Sinterklaas, zagen nog in Indonesië wonende Indische Nederlanders zich gedwongen te vertrekken. Op die dag verklaarde de Indonesische regering alle Nederlanders staatsgevaarlijk. In 1958 is hierdoor een groep van nog eens 10.000 naar Nederland gekomen.
Onder deze omstandigheden voelden ook mijn opa en oma
zich gedwongen om samen met hun twee zoons - de oudste geboren in Padang op Sumatra en de jongste
(mijn vader) geboren in Bandoeng op Java - en hun dochter - ook geboren in Bandoeng - naar
Nederland te vertrekken. In 1958 vertrokken zij vanuit de haven Tanjung Priok in Jakarta met het
passagiersschip Sydney via het Suezkanaal naar Genua in Noord-West Italië. Na
een aantal weken op de boot, zetten zij hun reis voort per trein naar Nederland.
Zij werden tijdelijk opgevangen in pension De
Woeste Hoogte in Hoenderloo, waarna ze naar Sneek verhuisten. Mijn opa kreeg een baan in de Douwe Egberts fabriek en mijn oma bleef thuis bij de kinderen.
Bescheiden en dankbaar als de Indische mensen zijn, leefden ze een tevreden leven in het hoge Noorden. De deur stond altijd open en vriendjes en vriendinnetjes van de kinderen kwamen altijd graag op bezoek. Helaas overleed mijn opa veel te vroeg en 15 jaar voor mijn geboorte. Ook mijn oma is inmiddels alweer 5 jaar geleden overleden. De familiegeschiedenis leeft voort in hun kinderen, in fotoboeken en verhalen. En de familiegeschiedenis leeft, met deze reis voor de boeg weer extra sterk, ook voort in mij.
Al sinds het einde van de 16e eeuw was Nederland aanwezig in Indonesië. Van 1602 tot 1798 opereerde daar de Verenigde Oostindische Compagnie en in 1610 werd de hoofdstad Jakarta omgedoopt tot Batavia. Indonesië bestaat uit vele eilanden en eilandengroepen, die onderling van elkaar verschillen in etniciteit, taal en religie. In heel Indonesië worden ongeveer 300 afzonderlijke etnische groeperingen onderscheiden en 742 verschillende talen en dialecten gesproken. Nederland focuste zich dan ook vooral op Java en de Molukken. Hun missie was het verkrijgen van het specerijenmonopolie en de compagnie had het recht om, tot het behoud van het handelsmonopolie, oorlog te voeren en namens de Republiek verdragen te sluiten met inheemse vorsten. Een tijd van oorlogen, onderdrukking en uitbuiting van de bevolking volgde. Na het faillissement van de VOC in 1798, werd Indonesië onder de naam Nederlands Oost-Indië een Nederlandse kolonie.
| Mijn opa op zijn paspoort |
| Mijn prachtige opa en oma |
In de periode 1946-1968 zijn ruim 300.000 Indische Nederlanders naar Nederland gekomen. De groep die meestal aangeduid wordt als Indische repatrianten, kwam tussen 1950 en 1952 naar Nederland (ca. 80.000 Indische Nederlanders). Sommigen gingen met pensioen, van anderen kwam de betrekking in Indonesië te vervallen vanwege de onafhankelijkheid en weer anderen wilden niet opteren voor het warga negara Indonesia, het Indonesisch staatsburgerschap. In de jaren 1952-1955 zette de Nederlandse regering een rem op de komst van met name Indo-Europeanen. Alleen bij hoge uitzondering mochten deze gezinnen nog naar Nederland komen. De leefomstandigheden van deze groep gemengdbloedigen in Indonesië werd echter zo problematisch, dat de Nederlandse regering in 1955 besloot de repatriëringscriteria aan te passen. Hierdoor kwamen vanaf 1955 late repatrianten en spijtoptanten naar Nederland. Op 5 december 1957, ook bekend als Zwarte Sinterklaas, zagen nog in Indonesië wonende Indische Nederlanders zich gedwongen te vertrekken. Op die dag verklaarde de Indonesische regering alle Nederlanders staatsgevaarlijk. In 1958 is hierdoor een groep van nog eens 10.000 naar Nederland gekomen.
| Sydney |
Bescheiden en dankbaar als de Indische mensen zijn, leefden ze een tevreden leven in het hoge Noorden. De deur stond altijd open en vriendjes en vriendinnetjes van de kinderen kwamen altijd graag op bezoek. Helaas overleed mijn opa veel te vroeg en 15 jaar voor mijn geboorte. Ook mijn oma is inmiddels alweer 5 jaar geleden overleden. De familiegeschiedenis leeft voort in hun kinderen, in fotoboeken en verhalen. En de familiegeschiedenis leeft, met deze reis voor de boeg weer extra sterk, ook voort in mij.
| Oma en ik |


Reacties
Fredje
Mvg JC
Mvg JC